Het weidevogelbeheer

Helmalente_099Uit recent onderzoek blijkt dat de stand van weidevogels landelijk vrijwel jaarlijks afneemt. De maatregelen in het kader van het agrarisch natuurbeheer blijken doorgaans te versnipperd over te veel gebieden uitgevoerd. Na zomertaling, kemphaan en watersnip, belanden nu ook de grutto, scholekster en veldleeuwerik in de gevarenzone.
Uit onderzoek blijkt verder dat alleen nestbescherming en uitstel van maaien niet voldoende zijn. Ook andere randvoorwaarden moeten in orde zijn, zoals grondwaterpeil, vegetatiesamenstelling en voedselbeschikbaarheid. Daarom is een andere aanpak nodig.

Het weidevogelbeheer wordt vooral gericht op de Grutto, waarvoor Friesland een grote internationale verantwoordelijkheid heeft. De weidevogeldoelstelling van de provincie Fryslân is gericht op het behoud en versterken van de Gruttopopulatie tot 25.000 broedparen in 2020 door het optimaal inzetten van de beschikbare instrumenten en middelen op:

  • een gebiedsgerichte samenwerking (gruttokringen) binnen minimaal 50.000 hectare open weidevogelkerngebied;
  • de inzet van vrijwilligers voor nazorgactiviteiten in de gebieden binnen en buiten de gruttokringen;
  • door optimalisering van het weidevogelbeheer in de begrensde beheersgebieden, natuurgebieden en via de Vrij Inzetbare Hectaren.

De Tureluur, Veldleeuwerik, Kievit, Scholekster, Watersnip en Kemphaan zullen hiervan meeprofiteren.
Om de doestelling te bereiken wordt ingezet op samenwerking tussen beheerders (agrariërs, terreinbeherende organisaties, particulieren) en vrijwilligers (vogelwachten, nazorgers, wildbeheerders). In voorkomende gevallen wordt er ook samengewerkt of is er afstemming met Waterschap en/of gemeente(n). Het mozaïekbeheer en het mozaïekplan zijn het fundament voor het toekomstige weidevogelbeheer.

De weidevogelkerngebieden.
De provincie zet in op de meest kansrijke weidevogelkerngebieden. Bij het begrenzen van de weidevogelkerngebieden zijn de volgende criteria gehanteerd:
Aantal broedparen per 100 ha.

  • 15 gruttobroedparen per 100 ha of
  • 75 broedparen per 100 ha (kievit, grutto, tureluur en scholekster) of
  • 30 broedparen per 100 ha Kritische soorten (grutto, tureluur, veldleeuwerik, graspieper, gele kwikstaart, slobeend, kuifeend, wulp, watersnip, kwartel, tafeleend, zomertaling, wintertaling, witte kwikstaart, kluut, knobbelzwaan, krakeend, bergeend en patrijs)

De minimale oppervlakte per begrensde eenheid is 100 hectare.

Home Weidevogels Het weidevogelbeheer
naar boven

© NFW