Ode aan het landschap | Beheerder Pier Jan Boersma

Dit jaar brengen wij een ‘Ode aan het landschap’. We brengen daarom iedere maand één van de ruim 600 beheerders in beeld. Deze maand biologische melkveehouder Pier Jan Boersma met zijn vader Jan uit Eastermar. Daarnaast een bijdrage van Gerrit Tuinstra van Landschapsbeheer Friesland. Hij beschrijft het landschap van Eastermar en buurtschap It Heechsân en hoe het beheer ervoor zorgt dat stobben of hakhoutstoven met ‘slapende ogen’ weer uitlopen en snel weer gesloten beplanting vormen.



De werkzaamheden

Januari staat voor de meeste leden van de vereniging Noardlike Fryske Wâlden in het teken van vooral snoeiwerk. Dit betekent dat er onderhoud wordt uitgevoerd aan o.a. dykswâlen en elzensingels. Onze beheerders gaan aan de slag met controle en onderhoud van de afrastering en het beheer van bramen, struiken en bomen. Elke 7 en 14 jaar snoeien zij overhangende loten en zijtakken. Na 25 jaar vindt de eindkap plaats. Dan worden alle bomen afgezaagd waarbij er per 100 meter houtwal 3 à 4 bomen gespaard blijven. Wat is het doel van dit onderhoud? En waarom is het zo belangrijk dat beheerders dit blijven doen?

Melkveehouder in Eastermar én natuurbeheerder

Ook Pier Jan Boersma, biologische melkveehouder in Eastermar, is druk bezig met het onderhoud aan de dykswâlen (houtwal). De geschatte lengte dykswâl op het bedrijf is ongeveer 10 kilometer. Per jaar wordt er een halve kilometer eind kap uitgevoerd, een kilometer “tussenkap” en de resterende lengte valt onder jaarlijks beheer. Zijn vader Jan vertelt over veranderingen die hij door de tijd heeft meegemaakt: “De functie van de houtwal is veranderd. Tot de jaren ’60 was het hout ook nodig voor verwarming van de huizen, de takken werden gebruikt als afrasterpalen. Vanaf de jaren ’60 werden de huizen verwarmd met aardgas en was het brandhout niet langer nodig. ” Hierdoor hebben de elementen nu geen directe economische waarde meer maar alleen een ecologische waarde. Ook de manier waarop het onderhoud wordt uitgevoerd is door de tijd veranderd. Tot de jaren ’80 werd alles nog met de bijl uitgevoerd. Daarna deed de kettingzaag zijn intrede en scheelde het onderhoud aan de elementen veel tijd.

Struik- en kruidlaag

Voor Pier Jan is het belangrijk om het onderhoud van zijn houtwallen te blijven uitvoeren. “Zodra bomen op een dykswâl ouder worden dan 25 jaar zie je de struik- en kruidlaag van mindere kwaliteit worden. Dat komt door de concurrentie van de bomen. Ook komen er in de winterperiode van oudere bomen veel takken naar beneden en die komen in het voorjaar weer in de graskuil terecht. Daarom wordt bijna elk element om de 25 jaar volledig afgezaagd, ook wel eindkap genoemd. Een enkele mooie solitaire eik mag hierbij blijven staan maar ook jonge meidoornstruiken laten wij staan. Dit is in het voorjaar een goede broedplek voor de vogels.”


“Snoeien doet bloeien”

De eerste zeven jaar na een eindkap wordt het element beheerd als jaarlijks onderhoud. Met name de bramen groeien alweer vanaf het eerste jaar flink door. “Het opsnoeien van de bramen deden wij altijd nog met de ouderwetse heggenschaar. Dit jaar hebben wij een elektrische heggenschaar aangeschaft. Het werk gaat sneller en kost ons minder fysieke energie. Snoeien geeft mooi resultaat in het voorjaar. Want snoeien doet bloeien.”

Zeven of veertien jaar na de eindkap komt het element in aanmerking voor een ‘tussenkap’, een grote snoeibeurt waarbij alleen overhangende takken/staken worden verwijderd. Voor de rest blijft alle beplanting staan. “De meeste boomsoorten lopen snel weer uit nadat ze zijn gekapt. Zoals de els of esdoorn, die groeien in de eerste jaren meer dan een meter. Bij een tussenkap zaag je de takken eruit die verder over de draad beginnen te hangen. Wel zaag ik jonge ratelpopulieren zo laag mogelijk af bij de tussenkap. Deze boomsoort verspreidt zich gemakkelijk door wortelopslag en vervolgens door het element. Hierdoor kan de ratelpopulier andere soorten verdringen.” Door de jonge ratelpopulieren elke tussenkap weg te zagen blijft het redelijk in toom.

Tips van Pier Jan

  • Laat de meidoorn staan bij de eindkap.
  • Haal bij een tussenkap ratelpopulier weg.
  • Schaf een elektrische heggenschaar aan, dit is fysiek handiger bij jaarlijks onderhoud.

Ervaar het landschap


Het landschap en het bedrijf dat deze boeren beheren wil Pier Jan graag laten zien aan de mensen. “Elk jaar nemen wij deel aan het bramenfestijn Brommels! Dan mag het publiek het laatste weekend van augustus ons land in om bramen te zoeken. Dat gaf ook de aanleiding om in deze winterperiode onze percelen open te zetten voor publiek. Er is een route van twee kilometer uitgezet in het veld. Wandelaars kunnen de weidepaaltjes met lint volgen. Zo kunnen zij ook zien hoe de dykswâlen en het onderhoud in de winterperiode wordt uitgevoerd.”

Het landschap van Eastermar

Een bijdrage van Gerrit Tuinstra van Landschapsbeheer Friesland

Het hoge zand

Het bedrijf van Pier Jan Boersma ligt dichtbij Eastermar, maar eigenlijk nog dichter bij het buurtschap It Heechsân, vrij vertaald ‘het hoge zand’. De aanwezigheid van vooral houtwallen – in de streek ook wel dykswâlen of hege diken genoemd – heeft alles te maken met de ligging op die hoge en relatief droge zandgronden, in dit deel van de provincie. Naast dit gebied, gelegen vanaf ruwweg de Leijen en de Burgumer Mar in het westen, tot aan de dorpen Drogeham en Harkema, is er in de Noardlike Fryske Wâlden nog een tweede gebied dat door houtwallen wordt gekenmerkt. Dat ligt ten noorden van Jistrum en loopt in de richting van Kollumerzwaag en Buitenpost, met aan weerszijden de dorpen Twijzel en Twijzelerheide.

Elzensingels

Buiten deze houtwallengebieden bestaat het landschap in de Noardlike Fryske Wâlden vooral uit elzensingels. Die liggen in de lager gelegen delen, waar sloten werden gegraven voor de ontwatering. Juist daar ontstonden de elzensingels. In de drogere houtwalgebieden ziet men vaak slechts een ondiepe greppel aan weerszijden van de aarden wal, die met bomen en struiken is begroeid.

Slapende ogen

Het beheer van zowel de houtwallen als elzensingels bestaat in veel gevallen – van oudsher – uit een hakhoutbeheeraanpak, waarbij de beplanting eens in de 20-25 jaar in het geheel afgezet ofwel gezaagd wordt. De stobben of hakhoutstoven blijven achter en de hierop aanwezige ‘slapende ogen’ lopen weer uit en vormen snel weer een gesloten beplanting. Juist met dit hakhoutbeheer wordt er een vitale, gesloten beplanting in de houtwal of singel behouden of gecreëerd. Dit vormt een mooi leefgebied voor allerlei diersoorten. Van talloze insecten die baat hebben bij een variëteit aan verschillende soorten bomen en struiken, tot aan allerlei vogels die er broeden en van die insectenrijkdom profiteren als voedsel! ’s Winters is er een heel andere vogelbevolking aanwezig. Lijsterachtigen snoepen van de bessen en sijzen – vaak in grote groepen – peuteren met hun fijne snaveltjes de zaden uit de elzenproppen, hoog in de bomen, terwijl de houtsnip op de grond met zijn lange snavel op zoek is naar in de bodem overwinterende insecten.