Nationaal Landschap

logo_nfw_nlDe Noardlike Fryske Wâlden is een landschappelijk aantrekkelijk en uniek gebied tussen Dokkum en Drachten. Het is onderdeel van de Friese Wouden, een streek in het oosten van Fryslân en grenst aan het Westerkwartier in de provincie Groningen en ligt op noordwestelijke rand van het Drents Plateau. Het gebied van ruim 25.000 hectare dankt de titel Nationaal Landschap aan de unieke combinatie van landbouwgrond, natuur en cultuurhistorie. Je ziet hier houtwallen, weidegronden, meren, moerassen en veel zandpaden. Opvallend is het grote aantal pingo’s en dobben. Rijen bomen met daaronder (bramen)struiken omzomen de weilanden. Zo is een fijnmazig patroon ontstaan met een besloten karakter. Door de ligging op de grens van zand en klei zijn de natuurwaarde en biodiversiteit bijzonder groot. Het eeuwenoude coulisselandschap met elzensingels en houtwallen is vrijwel intact gebleven. Dat maakt het uniek in heel Europa.

Natuurwaarden en ontstaansgeschiedenis
Het huidige landschap vindt zijn oorsprong in het verre verleden. Sporen van honderden jaren oud zijn nog steeds te zien, zoals pingo’s uit de ijstijd, hoge zandgronden, keileem in de ondergrond en veenvorming en -afgraving.
In het gebied zijn diverse bodemlagen afgezet; de belangrijkste zijn potklei en keileem. Deze zijn later weer voor een groot deel bedekt met dekzand. Mede door de ondoorlatende lagen potklei en keileem werden grote delen van het gebied in het verleden bedekt met hoogveen. Dit hoogveen is ontgonnen. De wijken en vaarten die in het gebied voorkomen zorgden voor de afwatering van het hoogveen. De turf werd per schip via deze vaarten en wijken afgevoerd. Op de grond die na de vervening achterbleef ontstonden op grotere afstand van de oude landbouwdorpen heideterreinen. Het leven op deze arme, Friese heide was niet eenvoudig. In het museum de Spitkeet in Harkema kan de bezoeker daarvan een goed beeld krijgen.

Landschapselementen
De belangrijkste kenmerken van het gebied zijn de dykswâlen (houtwallen), elzensingels, dobben en pingo’s en dorpen en gehuchten. In het noorden en vooral het westen is het gebied meer open van karakter. Hier treffen we klei- en veengrond aan. In het gebied liggen ook twee grote meren, de Leien en de Burgumer Mar. Het overgrote deel van het gebied bestaat uit zandgrond. Het grote aantal landschapselementen maakt dit gebied tot een uniek coulisselandschap. Het is daardoor een zeer aantrekkelijk fiets- en wandelgebied.

Elzensingels
Op de lagere delen met ondoorlatende lagen in de ondergrond was een fijnmazig sloten- en greppelpatroon nodig voor de afwatering. Langs de slootranden vestigden zich spontaan of door menselijk ingrijpen elzensingels. Op deze manier werden ontwatering, veekering en houtproductie gecombineerd. Voor veekering was een dichte beplanting nodig omdat prikkeldraad tot het eind van de 19e eeuw niet bestond.

Hout
De houtwallen en elzensingels konden vroeger deels in de behoefte voorzien aan brandhout, geriefhout voor het boerenbedrijf, bijvoorbeeld palen voor de afrastering en waarschijnlijk ook bouwhout. Eikenschors werd gebruikt voor de productie van run, een grondstof in de leerlooierij en de takkenbossen werden als brandstof voor de bakkersoven gebruikt.

Dobben en pingo´s
De poelen, die in het gebied dobben worden genoemd, zijn door de boeren aangelegd als verdiepte drenkplaatsen voor het vee, meestal in de hoek van percelen. Hierdoor kan het vee vanaf meerdere percelen uit de dobbe drinken. Daarnaast zijn er in het gebied ook pingo’s. Dit zijn restanten uit de ijstijd die zijn ontstaan door ijsheuvels in het toendraklimaat. Tijdens het smelten gleed het bedekkende bodemmateriaal langs de randen naar beneden. Na het wegsmelten van het ijs ontstond zo een rond water met een ringwal. Door erosie en door invloeden van mens en dier is de ringwal niet altijd even duidelijk meer aanwezig. In het gebied komt nog een vrij groot aantal pingo(ruïnes) voor. Ze zijn meestal groter dan de dobben en liggen op willekeurige plekken in het land.